Het Maya Balspel


De ring in de muur van het speelveld van Chichén ItzáHet balspel is een van de beroemdste activiteiten die bekend is van de Oude Maya’s. Het spel zelf blijkt bij de verschillende Maya-groepen diverse namen te hebben gehad. De termen die vandaag de dag het meest gebruikt worden zijn Pok-ta-pok of Pitz, hoewel in de literatuur meestal over ‘het balspel’ gesproken wordt. Een balspeler kreeg de titel Ah pitzil oftewel ‘de balspeler’.

De vorm en omvang van het balspeelveld konden variëren. Tijdens de Klassieke periode bouwden de Maya’s H- of I-vormige speelvelden met schuine wanden, die er voor zorgden dat de bal weer terug in het veld rolde als hij eruit werd geslagen. In de Postklassieke periode raakte deze vorm uit de mode en ontstond het speelveld met rechte zijmuren, waaraan in het midden van het veld op een behoorlijke hoogte een ring was bevestigd. Afhankelijk van de variatie konden er punten worden gescoord door met de bal een markeringssteen op de grond van het veld te raken of door deze tegen of door een aan de zijmuur bevestigde ring te schieten.

Hoe het spel zelf verliep is niet volledig te achterhalen. Wat men wel weet is dat er twee teams tegen elkaar speelden, waarvan het aantal deelnemende spelers mogelijk kon variëren. Beide teams moesten ervoor zorgen dat de rubberen bal, of ulli, ter grootte van een voetbal tegen een markeringssteen aankwam of door een stenen ring ging. Hierbij mocht men alleen gebruik maken van de heupen, en misschien ook de ellebogen, schouders en knieën. Omdat het bijna onmogelijk lijkt om een bal door de stenen ring te schieten (omdat de bal en het gat bijna net zo groot zijn) konden waarschijnlijk ook punten behaald worden met het raken van de ring.

Het balspeelveld te Chichén ItzáDe bal (‘ulli’) werd gemaakt van het rubber uit de zapoteboom. Deze bal werd vaak voorzien van een hiëroglief dat tegenwoordig als nab gelezen wordt. Er ging altijd een getal vooraf aan dit hiëroglief. Tot nu toe zijn de getallen 7, 9, 12, 13 en 14 op de diverse ballen aangetroffen. De betekenis van dit hiëroglief en de getallen heeft men nog niet kunnen verklaren, maar sommigen denken dat dit het aantal spelers waren die aan het einde van het spel geofferd zouden worden. 

Omdat de zware bal hard aankwam werd gebruik gemaakt van leren heupbeschermers met een U vorm die in het Spaans yugo (heupstukken) worden genoemd. We weten aan de hand van afbeeldingen op reliëfs en vazen dat de speler altijd met dezelfde heup de bal weg kaatste. Op de afbeeldingen is vaak maar één kniebeschermer te zien waardoor men weet dat de spelers ook steeds op dezelfde knie neerkwamen. De stenen yugo’s die men opgegraven heeft, waren te zwaar om werkelijk gedragen te worden. Ze dienden echter als mallen voor het natte leer zodat dit na het drogen ook voorzien was van aantrekkelijke afbeeldingen. 

Tegenwoordig zijn er nieuwe aanwijzingen waardoor men vermoedt dat bij één speelvariant gebruik werd gemaakt van een slagstok. Aan het eind van de stok was een stenen voorwerp bevestigd, waarmee de bal geslagen werd. Hier is echter nog niet voldoende bewijs voor gevonden.

Het balspeelveld van PalenqueRegelmatig leest men dat aan het einde van het spel de winnaars of verliezers geofferd werden aan de goden. In hoeverre dit werkelijk waar is, is niet met zekerheid vast te stellen. Het is mogelijk dat dit idee zijn oorsprong heeft gevonden in het feit dat koningen op het balveld een machtsspel met hun krijgsgevangenen vertoonden. De krijgsgevangene werd tot een balspel tegen de koning gedwongen, die in al zijn attributen en imponerende hoofdtooi op het speelveld verscheen. De krijgsgevangene werd echter vóór het balspel dusdanig toegetakeld, dat het hem alleen al moeite kostte om te blijven staan. Bovendien mocht hij geen gebruik maken van beschermende middelen waardoor de bal erg hard aankwam. De krijgsgevangene maakte geen schijn van kans om te winnen en werd na zijn nederlaag op het speelveld geofferd aan de goden. In het Postklassieke Chichén Itzá in de staat Yucatán werd het hoofd na de offering tentoongesteld op de Tzompantli, oftewel het schedelrek.

Het Quiché woord voor speelveld was hom wat tevens het woord is voor een begraafplaats. In de Klassieke periode betekende het echter ‘scheur’ wat erop wijst dat het balveld in feite de scheur op de top van de wereld is waar de maïsgod uit herrees. Dit kan uitvoerig gelezen worden in het Quiché scheppingsverhaal, de Popol Vuh. Het belangrijke van dit feit is echter dat men met het balspel een passage uit het scheppingsverhaal naspeelde. Hierdoor kreeg het balspel een ceremoniële betekenis. 

Op het oostelijk centrale paneel langs de muur van het balspeelveld in Chichén Itzá is goed te zien, hoe een balspeler door een mes van obsidiaan is onthoofd. De winnaar van het spel heeft het afgesneden hoofd in zijn linkerhand, terwijl hij in zijn rechter het offermes beethoudt. Tussen de twee spelers staat een speelbal afgebeeld met daarin een menselijke schedel. Bij de verliezer komen meerdere slangen uit zijn romp die symbool staan voor bloed. Samen met deze slangen groeit echter ook een maïsplant uit zijn romp, wat aangeeft dat zijn dood noodzakelijk was om het leven van anderen te waarborgen.