Lacandon nederzettingen


De Lacandones hebben zich gevestigd in voornamelijk drie nederzettingen, te weten Nahá en Mensäbäk in het noorden en Lacanhá Chansayab in het zuiden. 

Nahá

Het dorpje Nahá ligt aan het gelijknamige meer op 820 meter hoogte, circa 50 kilometer ten westen van de Usumacinta rivier en 55 kilometer ten noordoosten van de regionale hoofdstad Ocosingo. Het dorpje telt zo’n 200 inwoners (circa 100 inwoners in 1980). Sinds de dood van Chan K’in Viejo krijgen de missionarissen steeds meer grip op de inwoners van Nahá die tot voor kort het Christendom uit de weg waren gegaan. Halverwege de twintigste eeuw begonnen sommige Lacandones wel rozenkransen te verzamelen om zich te beschermen tegen kwade geesten, maar een verdere invloed was niet waarneembaar. De bewoners van Nahá erkenden het bestaan van Christus (door hun Hesuklistos genoemd) wel, maar zien hem als een lagere godheid en als zoon van Äkyantho’, de god van de buitenlanders en hun spullen.

Door de late komst van het Christendom is Nahá de meest traditionele gemeenschap van de Lacandones. Het oorspronkelijke geloof, de daarbij behorende rituelen, het vervaardigen van balché en polygamie behoort voor enkelen nog tot de dagelijkse realiteit. De laatste jaren is echter veel veranderd, zo werden in 1993 de eerste elektriciteitskabels aangelegd. Vele huishoudens bezitten tegenwoordig lampen en een televisie.

Door het kappen van het nabijgelegen woud wordt het de bewoners tegenwoordig onmogelijk gemaakt om tijdens de jacht nog voldoende te vangen en is het verzorgen van hun akkers, door het uitgeputte land, een bijna onmogelijke taak. Het culturele erfgoed blijkt echter bestand te zijn tegen deze problemen.

In april 1996 werd Casa de la Cultura geopend met een groot feest voor alle bewoners. In dit bouwwerk vond men een tentoonstelling van foto’s van Trudi Blom en vele traditionele voorwerpen. De doelstelling  was  om  het culturele erfgoed  te bewaken en de jonge generaties iets te leren over de traditionele Lacandon cultuur. Begin 2007 was het bouwwerk gesloten en in verval geraakt. Er bestaan echter plannen om de tentoonstelling in ere te herstellen.

Mede dankzij wijlen Chan K’in Viejo, die er jaren lang voor zorgde dat de houtkapbedrijven geen toestemming kregen om de mahonie bomen nabij Nahá te kappen kon de traditionele Lacandon cultuur lange tijd ongestoord blijven voortbestaan.

Chan K’in Viejo leefde van circa 1900 tot 23 december 1996. Hij was de t’o’ohil (De Grote) van Nahá. De t’o’ohil is de specialist betreffende het spirituele, bewaker van de tradities en verteller. Hij is de autoriteit met betrekking tot mythologie, kosmologie, rituelen, droom interpretatie en geschiedenis.

Chan betekent ‘kleine’ en K’in staat voor ‘zon, profetie, profeet’, Nahá betekent Groot Water en dus kan zijn naam vertaald worden als Kleine Profeet van het Grote Water. Hij was de oudste zoon van de vorige t’o’ohil, Bol Kasyaho (José Bol Garcia).

Als hem gevraagd werd of hij de t’o’ohil was ontkende hij dit. Hij zei dan dat er vandaag de dag geen t’o’ohil meer is, maar dat deze er wel waren in zijn grootvaders en vaders tijd en dat zij helderziend waren en met de goden konden spreken (de stem van een god klonk als het hoge gezoem van een bij). Iedere Lacandon van Nahá of Mensäbäk gaf echter aan dat Chan K’in de t’o’ohil van Nahá was.

Chan K’in stond bekend om zijn helderziende krachten (kinyah). Hij had de gave een gebeurtenis weer te geven die nog moest gebeuren.

Omdat de Lacandones geen schrift hebben, wordt de stamboom van Chan K’in na enkele voorvaderen al onduidelijk. Het is onder de bewoners van Nahá echter algemeen bekend dat Chan K’in een directe afstammeling was van de koningen van Palenque, een belangrijke stad in de tijd van de Oude Maya’s, dat eens geregeerd werd door Pakal de Grote.

De eerste herinnering van een blanke die Chan K’in had, was van Don Alfredo (Alfred Tozzer) die aan het begin van de twintigste eeuw de basis heeft gelegd van wat wij vandaag de dag weten over de Lacandones. Chan K’in herinnerde Tozzer als een vriendelijke man die veel respect voor de Lacandones had. Hij herinnerde zich ook dat Tozzer alles opschreef wat hem verteld werd. Soms haalden de Lacandones echter grappen met Tozzer uit: “Als een van onze companen een leugen vertelde aan Don Alfredo schreef hij dit op in zijn kleine boekje, en dan werd het waar.”

Chan K’in had ook een duidelijke mening over de missionarissen die de Lacandones probeerden te bekeren tot het Christendom: “Ze zijn erg serieus, ze drinken geen balché of bier, ze roken geen sigaren en eten geen tamales of posol. Hachakyum [de belangrijkste god] houdt niet van serieuze mensen die niet drinken, niet roken of geen posol eten. Ik denk dat er iets ontbreekt in hun hart en dat ze zichzelf volledig willen maken door anderen net als hen te maken.”

Mensäbäk (Metzabók)

Het dorpje Mensäbäk ligt bij het gelijknamige meer aan de voet van de Siërra Piedron op 550 meter hoogte. Op circa vier kilometer afstand bevindt zich de hoofdweg naar El Tumbo. Het is de kleinste nederzetting van de Lacandones. Het visrijke water nabij het dorp zorgt voor een uitstekend voedsel aanbod.

Het meer, dat vernoemd is naar de god Mensäbäk, is het grootste van de drie met elkaar verbonden meren. De andere meren dragen ook de namen van Lacandon goden: Ts’ibatnah (Schilder van Huizen), de heer van de schilderkunst, en Ah K’ak’ (Vuur Heer), de god van de jacht, moed en vroeger ook de oorlog.

Mensäbäk huisvestte ooit een grote gemeenschap Lacandones, maar toen de missionarissen zich in de directe omgeving vestigden, vertrokken vele inwoners naar Nahá. In 1999 huisvestte Mensäbäk nog 16 huishoudens met 34 volwassenen. Als we uitgaan van het gemiddelde aantal kinderen per huishouden van 1,6 zou dat betekenen dat het inwoneraantal circa 60 zou bedragen.

Lacanhá Chansayab

Lacanhá Chansayab ligt langs de Lacanhá rivier op 250 meter hoogte. Het plaatsje ligt 50 kilometer ten westen van de Usumacinta rivier en 115 kilometer ten zuidoosten van Ocosingo. De Siërra Cojolita ligt in het oosten en de Monte Azules loopt op 8 kilometer ten zuiden van de gemeenschap over in de Lacanhá rivier en het Lacanhá meer. Deze grootste gemeenschap van de Lacandones telt zo’n 500 inwoners.

Het dorp ligt aan de rand van het Monte Azules reservaat, vlak bij de ruines van Bonampak. Het is de meest zuidelijke gemeenschap. Hier bevindt zich ook het nog ongerepte regenwoud met voldoende wild.

Hoewel de Lacandones van Lacanhá nog op een traditionele wijze leven, wordt hun traditionele geloof niet meer in de praktijk uitgevoerd. Een gele koorts epidemie aan het begin van de jaren veertig van de twintigste eeuw was ervoor verantwoordelijk dat vele ouderen, en met hen de oude tradities, stierven.

Na de dood van Cerón, de laatste tah (leider onder de zuidelijke Lacandones) van Lacanhá, werd het geloof niet meer beoefend, tradities beperkten zich tot enkele vage herinneringen en gedragsregels. Volgens oude tradities had Jose Pepe Chan Bol de taak van tah op zich moeten nemen, maar om een onbekende reden deed hij dat niet. Dit werd opgemerkt door de missionarissen en deze begonnen met vlijt hun missiewerk. De Lacandones van Lacanhá  kwamen tot de conclusie dat het beter was om zich te bekeren tot een nieuw geloof dan helemaal geen geloof te hebben. Binnen korte tijd accepteerde Jose Pepe Chan Bol het nieuwe geloof en functioneerde vanaf dat moment als predikant en leider van Lacanhá. Zijn nieuwe functie binnen de gemeenschap  was in feite niet anders dan de taak die hij volgens de tradities had moeten vervullen.

Een van de eerste beperkingen die door de missionarissen werden opgelegd was dat circa de helft van al het traditionele wild en  vis niet meer gegeten mocht worden. Tevens werden alle soorten tabak en alcoholische dranken verboden, inclusief de rituele balché drank. Een man mocht alleen nog zijn eerste vrouw behouden, de anderen moest hij afstoten, ondanks het feit dat zij al vele jaren gelukkig getrouwd waren. Chan K’in’s reactie op het verbod van alcoholische dranken was: “Hoe kunnen de missionarissen zeggen dat de mens geen drank mag drinken als de goden als eerste de drank hadden en de mens geleerd hebben hoe deze te maken? Ze zeggen dat de drank een man luid en gemeen maakt, maar dat is niet waar. Drank laat slechts zien  hoe een man werkelijk is. De goden verachten luid en gemeen, of iemand nou drinkt of niet.”

Het merendeel van de Lacandones in Lacanhá is tegenwoordig protestants. Ze bezoeken een kleine kerk en zingen liederen in hun eigen taal. Een andere grote invloed op de kleine gemeenschap is de in 2000 aangelegde weg (Carretera Fronteriza) De weg moet van Bonampak een groot toeristisch centrum maken. Veel zuidelijke Lacandones geven nu rondleidingen bij de nabijgelegen ruines, organiseren jungletours of verdienen wat geld met het verhuren van huisjes langs de Lacanhá rivier.