Voeding en landbouw


Voedingsgewoonten

De directe leefomgeving voorziet de Lacandones van een uitgebreid voedingspatroon. Ze verkrijgen hun voedsel doormiddel van het verzamelen van vruchten,  het verbouwen van gewassen, vissen en jagen.

Het regenwoud (k’ax) voorziet de Lacandones van vele vruchten als de banaan, citroen, mango, papaja, achiotes en aguacates, maar ook van ruwe bouwmaterialen zoals hout en bladeren voor de rieten huizen. Verder is het regenwoud goed voor gereedschap (hout voor de pijl en boog, veren en vuursteen voor de pijlen), handwerk (klei voor aardewerk, plantaardige verven en kleurrijke zaden voor kettingen). Een lijst met bruikbare planten uit het regenwoud is opgenomen in de appendices.

De voedingsmiddelen worden opgeslagen in een kleine hut nabij de woning of de milpa die dienst doet als keuken. Opslag vindt plaats in manden of schalen van pompoen of kalebas die binnen in de hut aan het dak bevestigd worden. Ook weven de vrouwen netten om voedsel in op te slaan (ba’ay).

De vrouwen bereiden het voedsel in een kleine hut naast het huis. Hier bevinden zich een tafeltje met daarop een mano (Spaans voor ‘hand’) met metate (maalsteen) om de maïs fijn te malen. Gedurende het seizoen wordt de maïs direct vanaf de kolf gegeten, daarbuiten wordt de gedroogde maïs gemaald waarna er tortilla’s en tamales (tortilla’s gevuld met vlees en bonen) van gemaakt wordt.

Om tortilla’s te maken moeten de vrouwen eerst de maïs schillen en de korrels scheiden van de kolf. Vervolgens moeten de korrels gedurende acht uur gekookt worden. Nadat de korrels gekookt zijn wordt het water afgegoten en moeten ze afkoelen. Zodra de korrels afgekoeld zijn worden ze gemalen met een metate (of  tegenwoordig ook met  een moderne maalmachine) en gekneed in een säkpet, een dikke deeg in de vorm van een bal). Aan de säkpet worden gemalen schelpen toegevoegd wat voor de Lacandones de enigste bron van kalk is. Rond etenstijd maken de vrouwen van de säkpet meerdere tortilla’s met een doorsnee van zo’n 25 cm.  

Naast de tortilla’s consumeren de Lacandones ook veel posol. Deze drank, ma’ats in het Hach T’an, is een drank van maïsmeel en water waar cacao, chili, honing of suiker aan toegevoegd wordt.

Het voedsel wordt zittend op de grond genuttigd. Er zijn geen specifieke etenstijden. Als het dagelijkse werk erop zit, begint men met het avondmaal. Andere maaltijden worden op willekeurige tijden genuttigd, dag en nacht, als men trek heeft of als er iets te vieren valt zoals de opbrengst van een goede jacht. De opbrengst van de jacht wordt bovendien gedeeld met andere families.

De alcoholische drank balché wordt gemaakt van gefermenteerd water, suiker, honing en lange stroken bast van de balché boom (Lonchocarpus longistylus). Het bereiden daarvan vindt plaats in een uitgeholde kano (de balché chem) die speciaal voor dit doeleinde is gereserveerd. Het water wordt doormiddel van een pak, een groot vat van klei, naar de kano gebracht. De kano wordt overdekt met palm- en bananenbladeren om de inhoud te beschermen tegen ongedierte, waarna men de balché twee tot drie dagen laat fermenteren.

Tabak wordt op grote schaal verbouwd voor het vervaardigen van sigaren. Deze worden gerookt door mannen, vrouwen en kinderen. Een kind mag pas roken, wanneer zijn of haar vader op symbolische wijze de eerste tabaksbladeren heeft gegeven.

Tegenwoordig kopen veel Lacandones maseca (kant-en-klare tortilla mix), rijst en pasta’s zodat de vrouw niet meer de hele dag bezig is om voedsel te bereiden. Sommigen hebben ook het westerse snoep (zoals lolly’s), brood, suiker, sigaretten en drank in huis. Goedkope likeur begint de traditionele balché drank te vervangen waardoor alcoholisme de kop op steekt. 

Visvangst en jacht

Vis uit de plaatselijke meren en rivieren wordt gevangen met speren of haakjes. Het water voorziet de Lacandones ook van schaaldieren, schildpadden en schildpadeieren, slakken en soms ook krokodillen.

Tijdens de jacht concentreren de jagers zich voornamelijk op wilde kalkoen, gordeldier, wasbeer, spieshert, eekhoorn, papegaai, spinaap, varken, patrijs en de tepesquintli (soort knaagdier). Vooral de Hale (gevlekt zeevarkentje) wordt gewaardeerd voor zijn smakelijke vlees. De Lacandones zijn de enigen die in het natuurreservaat mogen jagen. Tot de jaren veertig van de twintigste eeuw jaagden de Lacandon mannen met de traditionele pijl en boog, deze wordt tegenwoordig echter alleen nog geproduceerd voor de verkoop aan toeristen.

De boog wordt gemaakt van hout van de chicle boom en gevormd met een machete, de boogpees bestaat uit gevlochten vezels van de agave. De pijlen worden gemaakt van bamboeachtige rietstelen die men oh noemt (carrizo in het Spaans), de voorkant van de pijlen worden vervaardigd van ceder of sapodilla. De pijlpunten maakt men van vuursteen, de juiste vorm wordt verkregen door stukjes af te hakken met een stuk metaal. De veren zijn vandaag de dag van duiven of kippen, maar worden in felle kleuren geschilderd die herinneren aan de veren van de tropische vogels die ooit gebruikt werden. De veren en de pijlpunten worden aan de pijl bevestigd met katoendraad dat ingewreven is met was en roet van het hars uit een pijnboom. De zwarte twijg wordt vaak gebruikt als decoratie.

Tegenwoordig jagen Lacandon jongens zodra zij om kunnen gaan met een katapult, de volwassenen jagen met moderne jachtgeweren.

Een andere bron van vlees (en eieren) zijn de kippen die de gehele dag rond lopen op de milpa, tegen de avond worden de kippen in hun hokken gestopt om ze te beschermen tegen de wilde dieren.

Landbouwmethoden

De manier waarop het land bewerkt wordt is de bekende brand-rooi methode, welke reeds lange tijd door de Oude Maya’s toegepast werd. Het geschikte moment om het land te bewerken wordt bepaald aan de hand van de veranderingen van planten, dieren en de seizoenen. De Lacandones onderscheiden twee seizoenen: het droge seizoen ya’ax k’in (‘het groene seizoen’) en het regenseizoen u nah ya’ax k’in (‘het grote groene seizoen’).

Door het hoogteverschil begint het regenseizoen in het zuiden (Lacanhá) iets eerder dan in het noorden (Nahá), waar de gemiddelde temperaturen iets lager liggen. Hierdoor bestaat er een klein verschil in de landbouwmethoden. Zo verbouwen inwoners van Nahá tegenwoordig koffie als marktgewas, terwijl dit niet mogelijk is voor de inwoners van Lacanhá.

Voordat het land bewerkt kan worden, wordt rond januari gezocht naar een geschikte locatie. Broodbomen en kapokbomen groeien bijvoorbeeld goed op zeer vruchtbare grond, terwijl de grond waar mahonie en ceder groeit te vochtig is. Het geschikte stuk grond wordt vervolgens vrij gemaakt van alle planten en bomen. Gedurende de maanden februari en maart krijgt de grond de kans om te drogen.

Vóór het begin van het regenseizoen, eind april begin mei, wordt het stuk land, de milpa (kol), in brand gestoken. De voedingsstoffen voor de wouden die zich bevinden in een gematigd klimaat worden voor het merendeel aangetroffen in de bodem. In het tropisch regenwoud bevindt het merendeel van de voedingsstoffen zich echter in de biomassa en slechts een klein percentage in de bodem. Door alle planten te verbranden ontstaat een vruchtbare laag as op de bodem.

De milpa wordt twee keer bezaaid, de eerste keer wordt hij bezaaid met gewassen als maniok, bananen en chayotes. Aan het begin van de regenperiode in juni, wanneer de eerste regenbuien vallen wordt het belangrijkste gewas geplant, de maïs. Het bewerken van het land is dus gebaseerd op een ontwikkelde kennis van de seizoenen en niet op vaste data in een kalender. Om vernietiging door insecten en ziekten te voorkomen worden de gewassen in kleine clusters geplant.

Door de oudere Lacandones wordt de milpa beplant met zo’n 35 tot 50 gewassen, hierdoor ontstaat er geen uitputting van de bodem door monocultuur. Jongere Lacandones beplanten de milpa gemiddeld echter met slechts 8 verschillende gewassen.

De Lacandones verbouwen met name maïs, het belangrijkste voedingsproduct. Naast maïs verbouwt men ook bonen, tomaten, suikerriet, chili, knoflook, zoete aardappel, ananas, watermeloen, chayotes, koffiebonen, macal, pompoen en katoen. Een lijst van bekende gewassen is opgenomen in de appendices.

De oogst vindt plaats tussen augustus en oktober. Men vervoerd de oogst in zelfgemaakte draagnetten (xac). Nadat de maïs geoogst is wordt de tabak geplant.

Een dergelijke milpa kan gedurende drie tot zeven jaar gebruikt worden waarna het weer verlaten wordt (zwerflandbouw). Wanneer de voedingsstoffen van het land verbruikt zijn worden nieuwe bomen geplant, zodat het land de kans krijgt zich te herstellen. Het onderhouden van deze boom-tuinen (pak che kol in het Lacandon) duurt zo’n vijf tot vijftien jaar. De boomtuin is een overgang tussen milpa en regenwoud. De Lacandones onttrekken echter ook voedsel en andere materialen van de pak che kol. Van de sterke vezels van de kurkeik worden touwen, riemen en kleren gemaakt, fruit en noten worden uit de pak che kol verzameld net als wortels en lianen die gebruikt worden voor het maken van manden. De planten die zich in een pak che kol bevinden, trekken wilde dieren aan. Voor de Lacandones is dit een eenvoudige manier om aan dierlijke eiwitten te komen.

Naast de milpa hebben de Lacandones ook een tuintje bij hun huis (mehen kol). In deze tuintjes worden gewassen verbouwd die voortdurende verzorging nodig hebben, zoals kokosnoot, limoen en sinaasappelen, maar ook zeer kwetsbare gewassen als koriander en uien.