Huisvesting


De leden van de Lacanhá subgroep leefden dicht bij elkaar en bezochten elkaar veel, maar over het algemeen leefden de Lacandones afgezonderd van andere families. De Lacandones van de Jatate subgroep leefden bijvoorbeeld jaren lang afgezonderd van elkaar. Een chronisch tekort aan vrouwen zorgde ervoor dat elke man vreesde dat hij zijn vrouw kwijt zou raken aan een andere man. De vrouwen bleven dan ook bij de woningen terwijl de mannen elkaar bezochten in het woud.

Voor een familie is mobiliteit altijd belangrijk geweest, verhuizingen vonden regelmatig plaats. De belangrijkste reden hiervoor was de aanleg van een nieuwe milpa. Tegenwoordig hechten de Lacandones nog steeds veel waarde aan mobiliteit, hoewel meerdere families nu bij elkaar wonen in de reeds genoemde gemeenschappen. Het leven van de Lacandones draait om het huishouden. Een huishouden bestaat uit de man, zijn vrouwen, ongetrouwde kinderen, getrouwde dochters, schoonzonen en een grootouder indien een van de twee is overleden. Aan het hoofd van de familie staat de vader.

De ouders leven samen met hun kleine kinderen in een woning bestaande uit één of twee kamers. Jongens en vrijgezelle mannen slapen in een aparte hut, zoals ook hun oudere zussen dat doen. Het gemiddelde aantal kinderen  binnen een gezin neemt in snel tempo af. Jonge gezinnen hebben gemiddeld 1,6 kinderen, terwijl hun ouders gemiddeld 3,8 kinderen hadden, en hun grootouders zelfs 9,6 kinderen. Chan K’in Viejo had voor zover bekend 10 dochters en 13 zonen, Antonio Chan K’in Martínez (zijn schoonzoon) had in 2002 bij een telling 5 dochters en 6 zonen.

In de directe omgeving van de woning bevinden zich nog twee andere hutten. In één van deze hutten bevindt zich de keuken, de andere hut wordt gebruikt voor de opslag van voedsel. Nabij de woning bevindt zich ook de toiletten. Deze bestaat uit een met riet afgezet stukje grond waar men een horizontale boomstronk boven een gegraven gat heeft geplaatst. Er zijn altijd twee toiletten, één voor de mannelijke en één voor de vrouwelijke leden van het huishouden. 

Soms heeft een huishouden een eigen caribal (privé land), maar soms wordt een caribal gedeeld door meerdere huishoudens. Families die zo’n caribal delen lijken nauw met elkaar verwant te zijn. Caribal is een term van de ladinos voor de open plekken in het woud waar de Lacandones wonen en is afgeleid van Caribe.

Een traditioneel Lacandon huis (nah) heeft een rieten puntdak van zo’n tien meter lang wat gemaakt is van palmbladeren (kun), door de ronde einden wordt de woning nog zo’n drie meter langer. Een huis van de zuidelijke Lacandones had vroeger geen muren, die van de noordelijke wel. De muren worden gemaakt van ruwe planken van balsa hout, waartussen zich vele kieren bevinden. De verschillende ingangen zijn de enige openingen in de woning. De aarde dient als vloer en aan beide uiteinden van de woning bevindt zich een haardvuur, gemaakt met de drie haardstenen die wij nog kennen van de Oude Maya’s. Nabij het haardvuur hangt een hangmat van majoua schors. Aan de balken van het dak zijn schalen van kalebas met touw opgehangen. Hier worden de zelfgemaakte sigaren in bewaard, de hach k’uuts (echte tabak), de Lacandones roken bijna de hele dag door sigaren. Ook maken zij veel gebruik van een ba’ay, hangnet, voor de opslag van goederen. Kasten worden slechts sporadisch aangetroffen in Lacandon woningen.

Tegenwoordig heeft een moderne Lacandon woning een dak van golfplaten en soms zelfs een vloer van cement. Vaak wordt ook de ingang voorzien van een houten deur en  bevinden zich  in de muren enkele kleine ramen van circa 60 cm. breed en 30 cm. hoog met een schuifluik. Binnen de woning zijn twee of drie kamers gerealiseerd met enkele hangmatten, een tafel met stoelen, een televisie en soms ook een videorecorder. Sommige huishoudens hebben de hangmat vervangen voor een houten bed zonder matras.

Opvallend is dat de meeste noordelijke Lacandones nog steeds aparte hutten bouwen buiten de eigenlijke woning die dienst doen als keuken en opslagruimte, terwijl de zuidelijke Lacandones een keuken en opslagruimte in hun huis maken.

Ieder traditioneel huishouden heeft zijn eigen yatoch k’un (godenhuis). Deze wordt gebouwd op een open plek in het woud, afgezonderd van de gemeenschap. Het is een rituele ontmoetingsplaats waar de religieuze voorwerpen worden bewaard. Ten oosten van zo’n yatoch k’un staat een uitgeholde kano (de balché chem) die speciaal wordt gebruikt voor het bereiden van de rituele balché. Een yatoch k’un bestaat uit een dak van palmbladeren op palen. Het is van belang dat de ingang altijd in het oosten ligt, richting Yaxchilán. In de yatoch k’un ontmoeten de goden en de mensen elkaar, de goden zitten tussen de mensen terwijl ze de offers nuttigen en de gebeden aanhoren. Het is de plaats waar alledaagse voorwerpen heilig worden. Wierook transformeert in tortilla’s en tamales in vlees, rubberen poppen worden ritueel tot leven gewekt en geofferd aan de goden. Zelfs de menselijke stem wordt vervormd in de yatoch k’un en klinkt als een nasale melodische stem wanneer tegen de goden gesproken wordt.